Oswald Tahon

Untitled document

Eenmaal Westvlaming, altijd Westvlaming. Zo denkt Oswald terug aan de afkomst die hij en zijn zus Rosita gemeen hebben. Hij is de derde in het gezin. Vader Tahon speelt mee in de dorpsfanfare en is trompetter bij de vrijwillige brandweer. De oudste broer is al muzikant en dus moet kleine Oswald ook muzikant worden. Koper is er al genoeg in huis, vindt pa, en hij geeft de kleine Oswald een klarinet, een mi-beetje dat Oswald ook nu nog steeds bewaart en koestert als een kostbaar relikwie. De eerste tonen ontlokte hij op 6-jarige leeftijd aan een mi b klarinetje.

 

Hij speelde vanaf zijn zevende bij "het muziek" van zijn geboortedorp Elverdingen in de Westhoek.

 

Na de verhuis naar Brabant werd bij de chirogroep van Buizingen de blokfluit, trommel en banjo gehanteerd.

In het toenmalige aartsbisschoppelijke Sint-Martinuscollege van Halle was hij mede-oprichter van het Karl Orfforkest waar de blokfluit en de vedel werden bespeeld. Tussendoor experimenteert hij op mandoline en banjo.

 

Met een elektronika-diploma dat hij weet te versieren, gaat hij na het leger aan de slag bij Sabena.

De kennismaking, via zus Rosita, met Herman Dewit leidde tot de start van de groep "'t Kliekske".

Vier jaar duurt een bijzonder nerveuze periode, waarin elke vrije dag, elk vrij uur naar de groep gaat en Oswald zich steeds vanuit Zaventem naar een uithoek van het land moet reppen om daar op het nippertje nog op het podium te springen. In 1974 hakt hij de knoop door. Na lang aarzelen vraagt en krijgt hij verlof zonder wedde. Hij is nooit teruggekeerd, maar wordt na twee sabbatjaren zelfstandig installateur van centrale verwarming. Dat geeft hem voldoende ruimte om zich volledig te concentreren op de groep.

 

In de groep kan hij zijn technisch vernuft overigens ook nog botvieren, want als je steeds van her naar der trekt, reizen de technische probleempjes mee.

 

Maar uiteraard is hij er in de eerste plaats bij voor de muziek. Met diepe, hartverwarmende klanken is hij de onopvallende (maar daarom juist gepast) tweede stem. Meestal dwarrelt hij tussen de hoogste lijnen van de notenbalk: als hij fluit is het alsof er tientallen vogeltjes aan het zngen gaan, als hij zijn klarinet neemt, klimt de weemoed op de toonladder.

 

Uit : Kwarteeuw Kliekske (door Jan Heyvaert en Walter Evenepoel)