Herman Dewit

Untitled document DE PATRIARCH VAN DE VLAAMSE VOLKSMUZIEK

 

Het muzikaal verhaal van Herman Dewit begint bij de fanfare van Huizingen, waar hij als negenjarige knaap een bugel in dehanden gestopt krijgt. Hij mag opstappen naast de beste speler van 't muziek, om te leren hoe het eigenlijk moet. Als die man zijn 'partie' een paar keer heeft voorgespeeld, is Armandken ermee weg. Zeven jaar blaast hij daar de longen uit zijn lijf.

Intussen begint hij aan St Lucas. Een kunstenaar moet natuurlijk een baard en een gitaar hebben. Met de drie, vier akkoorden heeft hij urenlang rond romantische kampvuren gezongen, stilaan ontwaakt ook de interesse voor oude liedjes en voor al wat daar mee samenhangt. Met enkele jonge mensen uit Huizingen begint hij volksdansen in te oefenen. Eén van hen is Rosita, die Herman's rimpeloze zieltje ondersteboven heeft gehaald, zodat hij niet langer alleen staat om zijn ontdekkingstocht verder te zetten.

Van het één komt het ander en voor zij er erg in hebben, zitten ze over hun oren in het pionierswerk van de herlevende volkskunst. Als Herman op een mooiie dag ergens een artikel leest over een zekere Hubert Boone die een prijs heeft gewonnen voor zijn wetenschappelijk opzoekingswerk over de volksmuziek, begrijpt hij dat er nog mensen bezig zijn met die materie. Vanaf het eerste telefoontje met Boone weet Herman dat hij een bijzonder waardevol man en een goede vriend heeft ontdekt.

In 1967 begon Herman Dewit met het noteren van volksliederen en -melodieën en het verzamelen van de typische volksinstrumenten die tot ons volkskundig cultureel erfgoed behoren. Hij bouwt deze instrumenten ook na zodat men in Vlaanderen, na tientallen jaren van stilte, opnieuw de doeldelzak, draailier, hommel, éénhandsfluit, klompviool, … kon horen en zien.

Dit was in het jaar 1968, de rechtstreekse aanleiding tot het ontstaan van 't Kliekske. Sedertdien gaven Herman, samen met zijn vrouw Rosita Tahon, schoonbroer Oswald Tahon en sinds 1970 ook Wilfrid Moonen, enkele duizenden concerten in alle mogelijke zalen en plaatsen. Niemand van hen had bij de aanvang durven voorzien welke vlucht dit bescheiden initiatief zou nemen.

Hij bouwt dus ook instrumenten. Daar is ontzettend veel werk aan maar het belet hem echter niet nog talloze andere projecten op te starten. Zo werkt hij mee aan heel wat radioprogramma's, is hij medeauteur van een aantal publicaties over volksmuziek en volksgebruiken en wordt hij op de meest door velen om advies gevraagd over alles wat met volkskunst verband houdt.

Her en der helpt hij volksmuziekfestivals op poten te zetten, en in 'zijn' Kester maakt hij geschiedenis met de Pajottenvolksfeesten die door talloze dorpen op een al dan niet geslaagde manier zullen nagebootst worden. Hogerop ontdekt men ook zijn talenten en vraagt men zijn advies voor de meest uiteenlopende volksgebonden aangelegenheden. Tussendoor schrijft hij enkele sukken voor stangpoppentheater, brouwt bier en bouwt boten, neemt hij honderden mensen mee op de huifkar door 't Pajottenland en broedt hij de plannen uit voor een authentiek volksontmoetingscentrum in zijn gemeente Gooik.

De St Maartensgilde in Kester, de volksmuziekstages en de Pinsterreünies, het tijdschrift Goe Vollek en de Volksmuziekgilde, de bouw van de Scute (platbodem), Feestival Gooik, de cd-reeks Traditionele volksmuziek in Vlaanderen, het zijn stuk voor stuk geesteskinderen van Herman.

Herman verzamelde samen met zijn vrouw, talrijke varianten van verschillende Vlaamse instrumenten. Deze uitgbreide verzameling kreeg haar plaats in het gemeentelijk museum te Gooik.

Utieindelijk is het werk van Herman en zijn medewerkerrs geen nostalgische terugkeer naar het verleden, maar een herbronning, die een n ieuwe dimensie geeft aan de hedendaagse cultuur.

Omwille van zijn prestaties en bijdragen op het gebied van het onderzoek naar volksmuziek, zijn avtieve bijdrage om deze op een prettige manier door te geven, maar vooral omwille van het feit dat hierbij de kinderen en de jeugd als onmisbare schakels in de overbrenging van onze Vlaamse muziekcultuur een vooraanstaande plaats kregen, werd hij in 1995 door de jury van het Speelgoedmuseum verkozen tot Doctor Ludorum Causa.

Sinds 1998 geeft hij ook les in de afdeling volksmuziek van de muziekacademie van Gooik en het Lemmensinstituut te leuven.

Zijn oude liefde, tekenen en aquarelleren leidde tot de oprichting van de aquarelgroep V.A.K. waar hij samen met vrienden volksmuzikanten regelmatig pen en penseel hanteert.

 

Uit : Kwarteeuw Kliekske (door Jan Heyvaert en Walter Evenepoel)